Veiligheidsreglement

Alles onder controle: Grand Prix races worden bepaald door strikte regels en overtreding daarvan kan leiden tot sancties. Wij nemen het sport- en technisch reglement van de Formule 1 voor 2011 nader onder de loep.

Formule 1™ technisch reglement

Een handig overzicht van regels en voorschriften verklaart de belangrijkste termen die elke Formule 1 liefhebber moet kennen.

Technisch reglement van de F1™ seizoen 2011 in een notendop

Verstelbare achtervleugels: Volgens de nieuwe regels voor beweegbare carrosseriedelen kunnen coureurs de achtervleugel van hun wagen vanuit de cockpit bedienen en de hellingshoek ervan aanpassen binnen een vooraf bepaalde marge. (De beweegbare voorvleugel, die werd gebruikt in 2010, is er niet meer bij.) De beschikbaarheid van het systeem wordt elektronisch geregeld – tijdens de trainingen en kwalificaties kan het elk moment worden ingezet (tenzij een coureur op regenbanden rijdt), maar tijdens de race mag het alleen worden geactiveerd als een coureur zich op minder dan een seconde achter een andere auto bevindt op vooraf bepaalde punten van het circuit. Het systeem wordt gedeactiveerd als de coureur op de rem trapt. In combinatie met KERS is het ontworpen om inhalen te stimuleren. En evenmin als KERS is het geen verplichting.

Remmen: Het reglement schrijft twee gescheiden, onafhankelijke hydraulische remcircuits voor die met één pedaal worden bediend. Eén circuit moet de remmen op de vooras bedienen, het andere de remmen op de achteras. Remklauwen moeten van aluminium zijn. Elk wiel mag met niet meer dan 1 remklauw met 6 zuigers en 2 schoenen zijn uitgerust. De remschijven mogen maximaal een dikte van 28 mm hebben, de maximale diameter is beperkt op 278 mm. Antiblokkeersystemen zijn verboden, evenals koelsystemen die werken met vloeistoffen. Tijdens het remmen mag de krachtverdeling niet veranderen.

Chassisophanging: De geometrie van de chassisophanging mag tijdens het rijden niet worden aangepast. Er zijn alleen ophangingssystemen toegestaan die reageren op lastveranderingen, die worden doorgegeven door de wielen.

Crashtests: De FIA specificeert en definieert twee belangrijke soorten crashtests: statische en dynamische. Omdat de auto’s vanwege het verbod op bijtanken starten met meer brandstof aan boord (ca. 230 in plaats van 100 liter), heeft de FIA de regels voor crashtests aangescherpt ten opzichte van 2010.

Spertijd: Vanaf 2011 geldt een spertijd voor teamleden die rechtstreeks aan de auto’s sleutelen. Gedurende twee perioden van zes uur voor de start van de training op vrijdag en zaterdag mogen ze niet aanwezig zijn in de pitbox. Deze twee perioden gaan steeds tien uur voor de start van de sessies in. Elk team mag in de loop van het seizoen hier vier keer een uitzondering op maken.

Dynamische crashtests: Dit type botstest wordt uitgevoerd op de voor-, zij- en achterkant van de auto. De frontale crashtest wordt uitgevoerd met een snelheid van 15 m per seconde, de zijdelingse met 10 m per seconde en die op de achterkant met een botssnelheid van 11 m per seconde. Het gewicht van het testchassis, inclusief een crashtest dummy van 75 kg, bedraagt 780 kg. De vertraging gemeten op de borst van de dummy mag binnen 3 milliseconden niet meer zijn dan 60 G (ca. 60 keer het eigen lichaamsgewicht). Een vierde dynamische botstest heeft betrekking op de stuurkolom die bij een gesimuleerde frontale botsing moet inschuiven om letsel voor de coureur te voorkomen: een massa van 8 kg bij een snelheid van 7 m per seconde mag niet langer dan 3 milliseconden een vertraging van 80 G veroorzaken. Nadat alle dynamische proeven zijn uitgevoerd moet de veiligheidskooi onbeschadigd zijn. Ook de snelkoppeling voor het stuur moet volledig functioneel blijven.

Afmetingen: De wanden van het chassis moeten minimaal 3,5 mm dik zijn, met 2,5 mm gereserveerd voor een omkasting met DuPont™ Kevlar® vezel. Terwijl de lengte van een Formule 1™ auto wordt overgelaten aan de ontwerpers, is de breedte begrensd op 1,80 m. De maximale breedte van de voorvleugel mag niet meer bedragen dan 1,80 m. De achtervleugel mag niet breder zijn dan 0,75 m en uit niet meer dan twee vleugelelementen bestaan. De hoogte van de auto is begrensd op 95 cm, gemeten vanaf het laagste punt.

Aandrijving: In de F1 wagens mogen maximaal twee wielen worden aangedreven. Automatische en continu variabele transmissies zijn verboden, vier tot zeven versnellingen zijn toegestaan, een achteruitversnelling is verplicht. Gedurende vijf opeenvolgende raceweekenden mag elke coureur slechts één versnellingsbak gebruiken. In geval van overtreding wordt de coureur vijf plaatsen teruggezet op de grid van de betreffende race. KERS, dat sinds 2009 is toegestaan, moet op een plaats naar keuze voor het differentieel geïntegreerd zijn in het aandrijfsysteem.

Coureurswissels: Elk team kan per seizoen vier coureurs inzetten. De coureurs mogen tijdens een raceweekend worden vervangen tot aan de start van de kwalificatie. Latere vervangingen als gevolg van force majeur worden beoordeeld door de stewards. In de eerste en tweede vrije trainingssessies kunnen de raceteams extra coureurs gebruiken, die ook in het bezit moeten zijn van een superlicentie. In totaal mogen echter niet meer dan twee 2 coureurs per sessie worden ingezet.

Coureursstoel: De complete stoel vormt een geheel en is speciaal op maat gemaakt voor de betreffende coureur. Piloten kunnen samen met hun zogeheten ‘reddingsstoelen’ uit de auto worden verwijderd. In de normale stoelstand mogen de voetzolen van de coureur niet voor het midden van de vooras uitsteken.

Motor: In Formule 1 zijn sinds 2006 uitsluitend V8 motoren met een blokhoek van 90 graden en 4 kleppen per cilinder (respectievelijk 2 inlaat- en 2 uitlaatkleppen) toegestaan. De maximum cilinderinhoud is 2.400 ccm, en het maximum toerental is 18.000 t/min. Er is een minimum gewicht vastgesteld van 95 kg. Motoren met turboladers zijn verboden.  Per coureur en per jaar zijn niet meer dan 8 motoren toegestaan. Wanneer afzonderlijke onderdelen vervangen moeten worden, mogen dat alleen onderdelen zijn die worden vermeld op een vooraf opgestelde lijst. Wordt tijdens een raceweekend een motor ongepland vervangen, dan zakt de coureur 10 plaatsen op de grid. Als de motor wordt vervangen na de kwalificaties, moet de coureur achteraan de grid starten. Mocht er voor één coureur in een weekend twee keer een nieuwe motor worden ingebouwd, dan wordt deze coureur ook tien plaatsen teruggezet op de grid van de volgende Grand Prix. Voor alle verbeteringen geldt het motorenreglement van 2008 tot 2012. Sinds 2009 is het gebruik van KERS (kinetische energie-recuperatiesysteem) toegestaan, waardoor gedurende 6,6 seconden per ronde maximaal 60 kW/82 pk extra vermogen geleverd kan worden.

Sancties: De stewards beschikken over een brede reeks sancties die ze kunnen opleggen wanneer de regels worden overtreden. Mogelijk is onder meer tijdstraf, diskwalificatie of schorsing voor volgende races.

Punten: Sinds 2010 krijgen de eerste 10 coureurs die bij een Grand Prix finishen punten volgens de verdeling 25-18-15-12-10-8-6-4-2-1. Hetzelfde systeem wordt gebruikt voor het constructeurskampioenschap.

Onderbreking van de race: Als het circuit geblokkeerd wordt door een ongeval of als de weersomstandigheden het te gevaarlijk maken om de race voort te zetten, kan de race worden stilgelegd. Gebeurt dit tijdens de eerste twee ronden, dan wordt opnieuw gestart. Als dat niet mogelijk is, worden geen punten toegekend. Als de race in de eerste twee ronden wordt stilgelegd, dan wordt opnieuw gestart. In dat geval wordt de helft van het totale aantal punten toegekend. Het totale aantal punten wordt toegekend wanneer 75 procent of meer van de geplande raceafstand is afgelegd.

Raceafstand: Het minste aantal ronden dat nodig is om een afstand van 305 km af te leggen (uitzondering: Monaco, 260 km). De maximale duur van de race is twee uur.

Bijtanken: Sinds 2010 is het verboden tijdens de races bij te tanken. Het blijft wel toegestaan om banden te verwisselen.

Statische crashtests: Naast de dynamische crashtests worden de voor-, zij- en achterconstructies tijdens statische crashtests blootgesteld aan zijdelingse druk. Tijdens deze proeven wordt druk uitgeoefend op de vloer onder de brandstoftank, op de zijkant van de neussteunen, en op de zijkant ter hoogte van benen en stoel. Als de botsstructuur, de veiligheidskooi of de versnellingsbak niet beschadigd raken, is de test geslaagd. De rolbar wordt in drie richtingen getest: zijdelings met 5 ton, in lengterichting met 6 ton en verticaal met 9 ton. De vervorming mag niet meer zijn dan 50 mm. In 2007 werd het reglement aangepast voor bescherming tegen aanrijdingen van opzij, wat betekent dat een extra beschermplaat tegen de zijkant van het chassis bevestigd moet zijn.

Safety Car: De Safety Car wordt ingezet als de wedstrijdleiding om veiligheidsredenen de snelheid wil beperken – bijvoorbeeld na een ongeval of wanneer de baan blank staat na zware regenval. De Duitse coureur Bernd Mayländer is sinds 2000 de bestuurder van de Safety Car. Volgens het reglement komt de Safety Car het circuit op “wanneer er direct gevaar dreigt maar de omstandigheden het stoppen van de race niet noodzakelijk maken”. Ongeacht de locatie van de  raceleider gaat de Safety Car de baan op en moeten alle deelnemende auto’s zich in lijn erachter formeren. Zolang die op de baan rijdt, is inhalen absoluut verboden. De coureurs moeten hun normale rondetijd gedurende twee ronden met 40 procent vertragen.  Daarmee wordt gegarandeerd dat ze in lijn achter de Safety Car gaan rijden met een snelheid die past bij de omstandigheden en voorkomt dat ze zichzelf, andere coureurs of marshals in gevaar brengen. Om de volgorde van de race te herstellen geeft de Safety Car copiloot elke wagen de instructie om de Safety Car in te halen, tot de raceleider weer de eerste in de formatie is. Voor seizoen 2011 werd besloten om de lichten in de pitstraat op groen te zetten zolang de Safety Car op de baan is.  Eerder moesten coureurs aan het eind van de pitstraat wachten tot het hele veld was gepasseerd.  Een coureur mag alleen de pitstraat inrijden voor een bandenwissel. Daardoor is het onmogelijk om plaatsen te winnen door een afkorting te nemen via de pitstraat zonder te stoppen.

Veiligheidsuitrusting: Elke wagen moet zijn uitgerust met een brandblussysteem voor binnenin de cockpit en in de motorruimte. Ook verplicht is een hoofdstroomschakelaar in de cockpit en aan weerszijden van de rolbeugel waarmee de coureur de elektronica, de brandstofpompen en de achterverlichting kan uitschakelen. Verder moet elke auto zijn voorzien van veiligheidsgordels, twee achteruitkijkspiegels en een achterlicht. Binnen de cockpit schrijven de regels van de FIA diverse vormen van schokabsorberende bekleding voor ter bescherming van het hoofd van de coureur. Een ADR (Accident Data Recorder) registreert belangrijke rijgegevens en is ook gekoppeld aan een medisch waarschuwingssysteem. Dat informeert EHBO’ers rechtstreeks over de ernst van een eventueel ongeval. Daarnaast is er een display in de cockpit met rode, blauwe en gele lichten die de coureur informeren over de vlaggen die op dat moment worden gezwaaid.

Keuring: Op de dag voor de eerste vrije trainingssessie van een Grand Prix vindt de keuring – de technische controle – van de auto’s plaats. De controleurs van de FIA toetsen dan of de auto’s voldoen aan het reglement.

Snelheidslimieten: Op de meeste circuits geldt tijdens alle vrije trainingssessies een snelheidslimiet van 60 km/u in de pitstraat, voor de rest van het raceweekend geldt hier een maximum van 100 km/u. Deze limiet kan door de stewards echter worden aangepast op advies van een veiligheidsofficial van de FIA. Voorbeelden daarvan zijn Monaco, Melbourne of Singapore waar de pitstraat bijzonder smal is. Behalve tijdens de race krijgt elke coureur die deze limiet overschrijdt een geldboete van € 200 voor elke kilometer per uur die hij te hard rijdt (deze boete kan verhoogd worden wanneer in hetzelfde raceweekend deze regel voor de tweede keer wordt overtreden). Tijdens de race kunnen de stewards elke coureur die de limiet overschrijdt een van de sancties opleggen uit artikel 16.3a) of b).

Starters: Dertien is het maximum aantal teams dat mag racen in de Formule 1TM, met twee wagens per team. Alle coureurs moeten in het bezit zijn van de superlicentie die wordt afgegeven door de Fédération Internationale de l’Automobile (FIA).

Startgrid: De doorslaggevende factor voor de startpositie van een coureur is zijn tijd in de kwalificatierondes. De piloot met de snelste rondetijd start in polepositie. De wagens worden opgesteld met een onderlinge afstand van 8 meter.

Tijdstraffen: Tijd is een essentieel element in de Formule 1TM.  Daarom krijgen coureurs een sanctie in de vorm van een tijdstraf opgelegd voor elke overtreding van de regels. De wedstrijdleider kan voor de volgende overtredingen tijdstraffen adviseren: een valse start of een botsing veroorzaken, een andere wagen van de baan afrijden, niet reageren op een blauwe vlag, opzettelijk hinderen van een andere coureur. De uiteindelijke beslissing voor een zogeheten ‘stop and go’ en een ‘drive through penalty’, evenals extra plaatsen toevoegen aan de gridpositie van de coureur, wordt genomen door drie racestewards, de officiële Formule 1TM wedstrijdjury. Sinds 2010 worden zij geassisteerd door een racesteward van de nationale automobielbond en ervaren voormalige Formule 1TM coureurs. De stewards mogen gebruik maken van de videobeelden en radiocommunicatie van de raceteams om hun beslissingen te nemen.

Transmissie: Een Formule 1TM wagen mag maximaal beschikken over zeven voorwaartse versnellingen. Een achteruitversnelling is verplicht. De tandwielen van de versnellingsbak moeten van staal zijn.

Undertray: Om het aanzuigende effect en tegelijk al te hoge snelheden in bochten te beperken, moet een plaat van bijvoorbeeld hout of kunststof aan de onderkant van het chassis zijn aangebracht. Deze zogenoemde ‘plank’, die ook een beschermende functie heeft, wordt 33 cm achter het midden van de vooras bevestigd en loopt door tot het midden van de achteras. Hij moet 30 cm breed en 10 mm dik zijn. Maximale slijtagetolerantie is 1 mm.

Gewicht: Een Formule 1TM wagen met olie en remvloeistof, inclusief coureur in complete wedstrijduitrusting, moet op de baan minimaal 640 kg wegen.

Wielen/banden: Een Formule 1TM racewagen moet vier banden hebben. De breedte van de achterwielen moet tussen 365 en 380 mm zijn, van de voorwielen tussen 305 en 355 mm. De maximale wieldiameter is 660 mm voor droogweerbanden en 670 mm voor regenbanden. Vanaf 2011 worden de banden geleverd door de Italiaanse fabrikant Pirelli.  Elke coureur mag per raceweekend elf sets droogweerbanden gebruiken. Drie sets (twee ‘Prime’ en een ‘Option') mogen in de eerste en tweede vrije training worden gebruikt. Een set met ‘Prime’ specificatie moet voor de start van de tweede training worden ingeleverd bij de bandenleverancier, een andere set ‘Prime’ en een set met ‘Option’ specificatie voor de start van de derde training. De andere acht sets mogen gedurende de rest van het weekend worden gebruikt, maar van elk type band moet één set worden ingeleverd bij de bandenleverancier na de kwalificaties. Met uitzondering van wedstrijden bij nat weer moet elke coureur tijdens de Grand Prix met beide typen droogweerbanden rijden. Tijdens bepaalde races mag de bandenleverancier Pirelli nieuwe bandentypen testen in de vrijdagtraining. Elke coureur krijgt voor deze sessies twee sets van de nieuwe specificatie die uitsluitend zijn toegestaan in de eerste en tweede vrije training. Verder kunnen de coureurs een extra set Prime banden geleverd krijgen die na de tweede vrije training weer ingeleverd moet worden.

DuPont™, KEVLAR® en NOMEX® zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van DuPont™ of zijn dochterondernemingen.

Contact met een adviseur

Uw eigen onafhankelijke adviseur die uw situatie kent en daarop inspeelt. Daarmee werkt Allianz graag samen.

Zoek een adviseur

Eerlijk advies

Eerlijk advies

Een goede adviseur heeft grondige verzekeringskennis en maar één belang: het beste product voor uw situatie.

Meer over onze visie

Onze producten

Zelf regelen